Ga naar inhoud

5 Classificatie & codering

5.1 Inleiding

Het is belangrijk om volgende twee begrippen van elkaar te onderscheiden: classificatie & codering. Waarbij er een duidelijk verschil is tussen het “classificatiesysteem” en de “code­ringen”, hetgeen hieronder wordt toegelicht.

We hebben behoefte aan een éénduidig maar eenvoudig begrijpbaar classificatiesysteem dat niet te ver in de diepte gaat en bedoeld is voor de “klassering” van onze bouwelemen­ten. Onder “klasseren” verstaan we het gemakkelijk terug vinden van de bouwelementen in de projectenbrowser of in de bibliotheken (bv. de layer-benamingen in Autocad, de systeem en component benamingen in Revit). De extra toegepaste coderingen in BIM modellen kun­nen dienen voor veelzijdig gebruik en zijn sterk afhankelijk van de specifieke toepassing of analysebehoefte.

Classificatie gaat over het hiërarchisch groeperen van elementen volgens gelijkaardige eigenschappen om een overzicht, over een complex geheel van elementen, te bekomen.

  • Classificatie wordt ingezet om gemakkelijker elementgroepen op hoofdniveau te onder­scheiden. Zo kunnen er in Revit filters toegepast worden op Schedules en views en kunnen er in coördinatiesoftware search sets of classificaties op basis van search criteria worden aangemaakt.
  • Bij de BERSnl is de codering van de NLBE‑SfB (met 2 of 4 cijfers) verkozen als de verplicht te gebruiken classificatiecode. Classificatie wordt toegepast door in de naamgeving van elementen op positie 2 de NLBE‑SfB tabel 1 classificatie toe te kennen. De gebruiker is vrij 2 of 4 cijfers te gebruiken waarbij er achter het tweede of vierde cijfer geen punt dient te worden geplaatst.
  • Eveneens dient de classificatie te worden toegepast in de Assembly Code parameter van elementen op typeniveau. Het is de gebruiker toegestaan om van deze Assembly Code methode af te wijken en eigen parameters te gebruiken voor het invoeren van een classificatiesysteem. In het BERSnl shared parameter bestand zijn er verschillende para­meters voorzien om dit op zowel instance als type niveau op een gebruiksvriendelijke manier in te regelen.

Codering is het toekennen van een code om objecten of hun eigenschappen te kunnen identificeren op een meer gedetailleerd niveau.

  • Codering wordt in Revit toegepast door aan elementen en/of materialen een Assembly code, Keynote, Material Keynote of een andere parameter toe te kennen. Het is de gebruiker toegestaan om van deze Keynote methode af te wijken en eigen parameters te gebruiken voor het invoeren van een coderingssysteem. In het BERSnl shared para­meter bestand zijn er verschillende parameters voorzien om dit op zowel instance als type niveau op een gebruiksvriendelijke manier in te regelen.
  • Codering kan als sleutel dienen bij het bepalen van hoeveelheden. Het is belangrijk om bij aanvang van een project, in gemeenschappelijk overleg, het coderingssysteem te bepalen.
  • Het toepassen van minstens één coderingssysteem is verplicht.

Een uniforme codering voor meetstaten, bestekken en kostprijsberekeningen in de BERSnl én BERSfr regio (of anders gezegd een uniform “rekenstelsel” voor de gehele bouwsector in België) zou het rendement van het bouw- en BIM-proces sterk kunnen optimaliseren. Een verplichte codering hiervoor is echter niet door de BERSnl werkgroep vast te leggen maar moet door veel meer actoren worden besproken.

5.2 Classificatie op basis van NLBE‑SfB

NLBE‑SfB is een elementclassificatie waarbij het systeem bestaat uit 5 tabellen:

  • Tabel 0: Ruimtelijke voorzieningen
  • Tabel 1: Functionele gebouwelementen
  • Tabel 2: Constructiemethoden
  • Tabel 3: Constructiemiddelen
  • Tabel 4: Activiteiten, kenmerken en eigenschappen

De BERSnl schrijft voor tabel 1 van de NLBE‑SfB te gebruiken in de naamgeving om elementen te groeperen. Het is een tabel die in de praktijk al gebruikt wordt, bovendien is ze beknopt en eenvoudig leesbaar.

Tabel 1 - Functionele gebouwelementen / Elementenmethode 2005

nlbesfb-tabel1

De tabel is hiërarchisch opgebouwd en bevat verschillende onderlinge verbanden, zowel verticaal als horizontaal. Voorbeelden hiervan zijn de volgende:

  • Verticaal; alle groepen die met een 4 starten hebben te maken met afwerking
  • Horizontaal; alle groepen in de bovenbouw die op 3 eindigen hebben te maken met vloeren

De benaming van de groepen op hoofdniveau bestaat uit 2 cijfers waarbij er in totaal onge­veer 90 groepen zijn. Indien gewenst kan meer detail gebruikt worden bij het classificeren en kunnen er 4 cijfers in de naam worden genoteerd. In de NLBE‑SfB zijn er in totaal ongeveer 980 groepen met 4 cijfers.

De BB/SfB werd in het verleden als onvoldoende uitgebreid beschouwd. Hierdoor werd de NL/SfB in versie 1 van de BERS verkozen als een meer toepasselijke en meer gebruiksvriendelijke lijst. In versie 2 van de BERS stappen we over op NLBE‑SfB: één gezamenlijke classificatie die toepasbaar is in Nederland én België, afgestemd op actuele thema’s zoals digitalisering, energie transitie, circulariteit, onderhoud en grensoverschrijdende samenwerking. Op het moment van schrijven is er een "consultatie versie" van de NLBE‑SfB 2025 beschikbaar. De BERSnl werkgroep zal de nieuwe ontwikkelingen rond NLBE-SfB opvolgen, en wijzigingen zo snel mogelijk implementeren in haar methodiek.

5.3 Classificatie Materials

In Revit worden materialen voor een veelheid van toepassingen aangewend. Hieronder worden enkele toepassingen opgesomd:

  • Een enkel materiaal wordt gebruikt om een volledige wandopbouw te beschrijven;
  • Een materiaal wordt gebruikt om het detectiebereik van een aanwezigheidssensor als een volume voor te stellen;
  • Een materiaal wordt gebruikt als voorwaardelijke opmaak a.d.h.v. een kleurcode om bijv. binnen eenzelfde raam te visualiseren welk gedeelte vast, al dan niet opendraaiend is;
  • Een materiaal wordt enkel gebruikt voor visualisatie doeleinden zoals bv. het geven van een verflaag aan een oppervlakte (d.m.v. de Paint tool).

Om deze toepassingen te ordenen en te structureren binnen de materialen editor heeft de BERSnl een classificatie opgemaakt dewelke allesomvattend zou moeten zijn. In onderstaande boomstructuur wordt voor elke klasse van materialen (blauwe rechthoek) een drieletterige code samengesteld vertrekkend vanuit het hoofdniveau. In de bijlage BERSnl_v1.0_praktische voorbeelden materialen_20190626 zijn enkele voor­beelden opgesomd.

bersnl-materials-classificatie

Onderstaande Engelstalige (EN) afkortingen worden hiervoor gehanteerd. In versie 1 van de BERS werden er verschillende Nederlandstalige (BERSnl) en Franstalige (BERSfr) afkortingen gebruikt. In versie 2 wordt dit gelijk getrokken en Engelstalig gemaakt.

Naam EN Code EN Naam NL Code NL Naam FR Code FR
Physical System Compound PSC Fysiek Systeem Samengesteld FSS Système Composite PSC
Physical Material Finish PMF Fysiek Materiaal Afwerking FMW Matériau Finition PMF
Physical Material Finished [3] PMD Fysiek Materiaal Afgewerkt [3] FMA Matériau Terminé [3] PMT
Physical Material Mounting PMM Fysiek Materiaal Bevestiging FMB Matériau Fixation PMX
Physical Material Simple PMS Fysiek Materiaal Enkelvoudig FME Matériau Simple PMS
Physical Material Compound PMC Fysiek Materiaal Samengesteld FMS Matériau Composite PMC
Semi-physical Surface Finished [4] SSF Semi-fysiek Oppervlak Afgewerkt [4] SOA Surface Terminé [4] SST
Semi-physical Surface Bitmap SSB Semi-fysiek Oppervlak Bitmap SOB Surface Bitmap SSB
Semi-physical Surface Colour SSC Semi-fysiek Oppervlak Kleur SOK Surface Couleur SSC
Semi-physical Surface Material SSM Semi-fysiek Oppervlak Materiaal SOM Surface Matériau SSM
Logical Non-volumetric Property LNP Logisch Niet-volumetrisch Eigenschap LNE Non-volumétrique Fonctionnalité LNF
Logical Non-volumetric Function LNF Logisch Niet-volumetrisch Functie LNF Non-volumétrique Fonction LNN
Logical Volumetric Clearance Zones LVC Logisch Volumetrisch Clearance Zones LVC Zones de dégagement LVZ
Logical Volumetric Other LVO Logisch Volumetrisch Overige LVO Autre LVA

[3] Kan enkel in projecten voorkomen en niet in aangeleverde bibliotheken

[4] Kan enkel in projecten voorkomen en niet in aangeleverde bibliotheken

5.4 Coderingssysteem

Bij aanvang van elk project dient door projectpartners te worden afgesproken welk coderings­systeem (of welke combinatie van systemen) zal worden gebruikt en volgens welke para­meters deze zal worden ingevoerd.

De voorgestelde methodiek werkt op basis van het classificatiesysteem van NLBE-SfB en laat toe om tegelijkertijd meerdere coderingssystemen toe te passen zoals bijv. VMSW, Regie der Gebouwen TB904, ... Om dit mogelijk te maken wordt er door de BERSnl werkgroep een lijst bezorgd van shared parameters met voor elk coderingssysteem een specifieke parameter die daarvoor gebruikt dient te worden. In een project kan een gebruiker zelf beslissen (het kan ook opgelegd worden in het BIM-protocol) welke parameters (lees: coderingssystemen) hij toepast in een project.

Om gebruikers van Revit LT niet te verhinderen deze methodiek te hanteren (door het gebruik van plug-ins te verplichten) kunnen de standaard ingebouwde velden Keynote en Assembly Code gebruikt worden als toegangspoort. De ingebouwde functionaliteit van Revit wordt op deze manier aangewend om een code in een van deze twee parameters ingevuld te krijgen en van daaruit te kopiëren naar de parameter voor de desbetreffende coderingssystematiek.