Ga naar inhoud

3 Naamgeving Objecten

3.1 Inleiding

De basis wat betreft naamgeving binnen de BERSnl zijn richtlijnen conform de principes van NLRS en de “best practices” vanuit de Belgische Revit Standards Expertgroep. Onderstaande onderdelen worden hierbij besproken:

  • Naamgeving Family (Loadable Family, System Family & In-Place Family)
  • Naamgeving Annotation Family (Labels, Title Blocks & Tags)
  • Naamgeving Parameter
  • Naamgeving Material
  • Naamgeving Subcategory

Binnen de naamgeving van de BERSnl worden een aantal afkortingen gebruikt. Deze afkortingen liggen vast en zijn opgesomd op het einde van dit document.

Elke positie waarbij dit van toepassing is wordt aangeduid met volgend symbool: (A)

3.2 Naamgeving Family (Loadable, System en In-Place Family)

3.2.1 Algemene afspraken

Bij de plaatsing van elk object in Revit wordt de database gevuld. Om op een nuttige manier gebruik te kunnen maken van deze informatie dienen ze in de eerste plaats gestructureerd en uniform te worden benoemd. De naamgeving gebeurt op verschillende manieren en op verschillende niveaus. Het toepassen van een gestandaardiseerde naamgeving heeft verschillende doeleinden:

  • Terugvindbaarheid in Windows verkenner;
  • Terugvindbaarheid en identificatie binnen de projectomgeving;
  • Het creëren van (marktbrede) uniformiteit;
  • Het optimaliseren van data exports voor meetstaten (bestekcodering);
  • Het efficiënt kunnen uitvoeren van model checking en clashcontrole;
  • Het mogelijk maken van automatisering van datastromen.

Er gelden een aantal algemene afspraken wat betreft naamgeving:

  • Hoofdletters mogen alleen worden gebruikt in positie 1 tot en met positie 4 en positie 7. De velden voorzien voor de omschrijving (positie 5) mogen geen hoofdletters bevatten behalve voor merknamen, coderingen en/of materiaalafkortingen (Revit is hoofdletter- gevoelig);
  • Gebruik een underscore ( _ ) als scheidingsteken tussen de posities;
  • Spaties worden gebruikt als leesteken binnen de posities. Underscores zijn binnen een positie niet toegestaan, dit leidt tot verwarring. Koppeltekens zijn toegestaan en worden meestal gebruikt om de tekstuele omschrijving in positie 5 te scheiden van de (optionele) attribuutcode die aan deze positie kan worden toegevoegd;
  • Het weglaten of leeg laten van posities is niet toegestaan, met uitzondering van positie 6 en/of 7. Overige posities moeten worden ingevuld.

3.2.2 Naamgeving

  • Loadable Families worden ook wel Model Components, content of bibliotheekobjecten genoemd. Ze hebben als extensie *.rfa en worden in een directory opgeslagen.
  • System Families kunnen niet als een *.rfa in een directory worden opgeslagen en zitten in de Revit template. De plaatsingsfunctionaliteit ligt dan ook vast, met uitzondering van In-Place Components.
  • In-Place Families zijn unieke, op maat gemaakte onderdelen die direct binnen een specifiek project gemodelleerd worden (Model in Place).

De naamgeving van Loadable Families, System Families en In-Place Families is grotendeels gelijkwaardig. Enkel posities 4 en 5 verschillen.

Principe naamgeving Loadable, System en In-Place Family

Positie Beschrijving Karakters Voorbeeld
<pos 1> Auteur of content provider (2) zo kort mogelijk XXX
<pos 2> NLBE‑SfB classificatiecode 2, 3 of 4 32.31
<pos 3> Revit Category 2 of meer DO
<pos 4> Plaatsingsmethode (voor In-Place Families steeds ingevuld met de afkorting "IP") 2 of 3 WB
<pos 5> Loadable Family: omschrijving Family (optionele attribuutcode) vrij maar logisch enkel bovenlicht
System Family: omschrijving samenstelling met materiaal afkortingen en diktes
<pos 6> Fabrikant (leverancier) of generiek zo kort mogelijk gen
<pos 7> Combinatie landcode en identificatie 6 BERSnl

(2): Af te stemmen in het BIM-protocol.

  • Voorbeeld Loadable Family: XXX_32.31_DO_WB_enkel bovenlicht_gen_BERSnl
  • In bovenstaand voorbeeld is het niet nodig het woord ‘binnendeur’ nogmaals te gebruiken aangezien de SfB code ‘32’ (binnenwandopeningen) en de Category “DO” (Doors) dit al aangeven. Dit is overeenkomstig het principe “Wie – Wat – Hoe ...” of “Agent Responsible – Element – Presentation ...”.
  • Voorbeeld System Family: XXX_21.10_WA_LIB_MW90-L30-ISO100-SB140_gen_BERSnl
  • Voorbeeld In-Place Family: Bijvoorbeeld: XXX_21.12_WA_IP_MW90_gen_BERSnl

<pos 1> auteur of content provider van het element

Deze positie heeft als bedoeling om in een Revit project, waar meerdere bouwpartners in samenwerken, of in analyse- of coördinatiesoftware te kunnen onderscheiden wie de auteur of content provider is van welbepaalde Revit elementen. De auteur is diegene die de elementen plaatst in het model en daar de ontwerp -en informatieverantwoordelijkheid voor opneemt. Bij gestandaardiseerde bibliotheken kan ook worden beslist project parameters op instance niveau toe te voegen, zo kunnen verschillende auteurs gebruik maken van dezelfde Families. Dit is vast te leggen in het BIM-protocol.

De lengte van de naam wordt niet vastgelegd, maar wordt zo kort mogelijk gehouden (bijv. BPL, DEM,...). Zodoende zal de naam niet uit het beeld vallen in dialoogboxen en blijft het zoeken en selecteren eenvoudig. Een unieke registratie van de gebruikte afkorting is niet haalbaar, maar in een specifiek project of bouwteam kan deze te gebruiken afkorting per bouwpartner in het BIM-protocol vastgelegd worden.

<pos 2> NLBE‑SfB classificatiecode tabel 1

Het aangeven van de NLBE‑SfB-code maakt het mogelijk informatie duidelijk inzichtelijk te maken in de Revit project browser en in een directory. Hierbij worden minstens de eerste twee posities van tabel 1 (functionele gebouwelementen) gebruikt. Indien verdere specificatie nodig is kan deze cijfercode uitgebreid worden tot 4 cijfers. Achter het tweede of vierde cijfer dient geen punt te worden geplaatst.

<pos 3> Revit Category (A)

In deze positie wordt de afkorting van de Revit Category in hoofdletters genoteerd. Zo weet de Revit gebruiker, zonder dat hij de Family dient te openen, waarvoor ze gebruikt kan worden en in welke Schedule ze zal voorkomen (aangezien Schedules worden opgebouwd per Revit Category).

<pos 4> plaatsingsmethode (A)

In deze positie wordt de afkorting van de plaatsingsmethode in hoofdletters genoteerd Een Revit Family kan op een aantal manieren in het project worden geplaatst (doch zijn de plaatsingsmogelijkheden limitatief). Bij het opmaken van een Family wordt hierin een keuze gemaakt dewelke naderhand niet meer kan worden gewijzigd. Door het vermelden van de plaatsingsmethode in de naamgeving weet de Revit gebruiker, zonder dat hij de Family dient te openen, hoe het element dient te worden geplaatst.

Voor System Families wordt de plaatsingsmethode behouden. Dit is voornamelijk gericht op de uitwisseling met anderen (waar het voor de ontvanger niet relevant is of het element Loadable dan wel System is). Op deze manier blijft de naamstructuur consistent. Ook voor System Families zijn de plaatsingsmogelijkheden limitatief.

Voor In-Place Families wordt positie 4 steeds ingevuld met de afkorting "IP"

<pos 5> omschrijving Family (optionele attribuutcode) / omschrijving samenstelling met materiaal afkortingen en diktes (A)

Op deze positie kan een omschrijving worden vermeld die meer duidelijkheid biedt over het specifieke object, zijnde een tekstuele omschrijving van de Family. Hieraan kunnen attribuutcodes worden toegevoegd die bepaalde specifieke kenmerken beschrijven.

Voor System Families die over een materiaalopbouw beschikken raden we aan om volgende richtlijnen te volgen. De omschrijving maakt vermelding van de gebruikte materialen en hun respectievelijke dikte van boven naar onder (in de materialen editor).

Als deze methodiek wordt gevolgd is de naamgeving binnen het gehele project op een uniforme manier opgebouwd. Ze blijft compact maar is toch snel herkenbaar wat de gebruiksvriendelijkheid ten goede komt. Het is niet de bedoeling om de gebruikte materialen heel gedetailleerd te beschrijven maar wel om de gebruiker een globaal idee te geven van de opbouw van het element.

edit-assembly

<pos 6> fabrikant (leverancier) of generiek

Als er sprake is van een generieke, niet-fabrikant gebonden Family wordt ‘’gen’’ ingevuld. Als het wel gaat om een fabrikant specifiek element wordt hier de afkorting van de fabrikant ingevuld.

<pos 7> combinatie landcode (LC) en identificatie standaard (RS), zo nodig aangevuld met een taalcode

Deze positie werd toegevoegd als gevolg van de sterke internationale interesse in de RSF. Door dit achtervoegsel kunnen fabrikanten bibliotheken opstellen voor verschillende landen waarbij gebruikers hierin gemakkelijk onderscheid kunnen maken. Het is niet ongebruikelijk dat parameter waarden per land verschillen als gevolg van afwijkingen in nationale regelgeving over de bepaling van deze waarden. Het achtervoegsel wordt door generieke Revit gebruikers ook gebruikt om aan te duiden dat men werkt conform de Revit Standards werkmethodiek.

De landcode wordt ontleend aan de tweeletterige afkorting van ISO 3166-1, zie: https://nl.wikipedia.org/wiki/ISO_3166-1. Aan de landcode wordt de code “RS” toegevoegd om aan te geven dat de land-specifieke RS variant wordt gebruikt. In voorkomende gevallen kan een taalcode worden toegevoegd, conform ISO 639 (alleen van toepassing als een bibliotheek voor één land in meerdere talen wordt uitgebracht). Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/ISO_639. Voorbeelden:

  • NLRS Revit Standaard voor Nederland
  • BERSnl Revit Standaard voor België, taalgebruik Nederlands
  • BERSfr Revit Standaard voor België, taalgebruik Frans

3.3 Naamgeving Annotation Family (Label, Title Block en Tag)

3.3.1 Algemene afspraken

Er gelden een aantal algemene afspraken wat betreft naamgeving van Annotation Families:

  • Hoofdletters mogen alleen worden gebruikt in positie 1,3 en 5. Het veld voor de omschrijving (positie 4) mag geen hoofdletters bevatten behalve voor merknamen en coderingen (Revit is hoofdlettergevoelig);
  • Gebruik een underscore ( _ ) als scheidingsteken tussen de posities;
  • Spaties worden gebruikt als leesteken binnen de posities. Underscores zijn binnen een positie niet toegestaan, dit leidt tot verwarring;
  • Het weglaten of leeg laten van posities is niet toegestaan.

3.3.2 Naamgeving Label & Title Block

Dit zijn 2D componenten dewelke het basisprincipe van de naamgeving voor Loadable en System Families blijven volgen met uitzondering van de plaatsingsmethode (positie 4) en de fabrikant specifieke eigenschap (positie 6). Beide posities zijn irrelevant voor deze objecten en worden weggelaten. De NLBE‑SfB classificatiecode op positie 2 zal verwijzen naar de toepassing. Echter wanneer deze generiek is of meerdere toepassingen omvat zal “00” als classificatie worden genoteerd.

3.3.3 Naamgeving Tag

Bij het aanmaken van Annotation Tags moet de toepassing van de specifieke Tag uit de naamgeving kunnen worden afgeleid.

Principe naamgeving Label, Title Block en Tag

Positie Beschrijving Karakters Voorbeeld
<pos 1> Auteur of content provider zo kort mogelijk XXX
<pos 2> NLBE‑SfB classificatiecode 2, 3 of 4 00
<pos 3> Revit Category (voor Tags: voorafgaand door ‘TAG-’) 2 of meer TB
<pos 4> Omschrijving (voor Tags: wat leest de tag uit?) vrij maar logisch titelhoek A0
<pos 5> Combinatie landcode en identificatie, standaard aangevuld met taalcode indien nodig 6 BERSnl
  • Voorbeeld Title Block: XXX_00_TB_titelhoek A0_BERSnl
  • Voorbeeld Tag: XXX_32_TAG-DO_mark_BERSnl